De geschiedenis van polder Hoorn en Burgh (deel I)

Door Rein Stam
Gepubliceerd: Zaterdag 10 Februari 2007
1714 x bekeken
Het gebied waar deze polder gelegen heeft was eeuwenlang een grote inham.


Deze inham, aan de zuidpunt van Texel, werd van de Mok gescheiden door een vrij smalle, met duinen bedekte landtong.

De landtong strekte zich in het begin van de achttiende eeuw uit van ‘t Horntje tot aan het Hoornder Nieuwland. Deze landtong, waarop tegenwoordig het NIOZ is gevestigd, strekte zich in die tijd enige honderden meters verder in zee uit.

In het noorden grensde de inham aan de dijken van Hoornder Nieuwland en de Grie.

Tevens werd zij begrensd door de oude zeedijk van Zuid Haffel en Westergeest en was daardoor zeer geschikt voor bedijking. Ele Jansz, de dijkgraaf van Zanddijk en Buitenveld, had al in 1630 een verzoek voor bedijking aan de Staten van Holland gedaan.

Hier kwam echter niets van terecht en het duurde tot 26 april 1674 voor er een nieuw verzoek kwam van Maarten Dekker.

Deze Hoornder kreeg hulp van de overkanters Klaas Noorlander en Hubert van Ee. De burgemeesters van Texel gaven een zeer negatief advies maar de Staten van Holland verleenden vergunning op 18 mei 1768.

Voorwaarde was dat de afsluitdijk binnen drie jaar klaar moest zijn en “op de kruin minstens zeven voet boven volzee stond”.

De drie bedijkers vormden een compagnie met 32 aandelen om hun risico te beperken. Ze namen zelf 17 aandelen, de rest verkochten zij aan Amsterdamse beleggers.

Daardoor hadden de uitvoerders zelf de meerderheid der aandelen en gingen een eerste lening aan van f.80.000,-.

Onder leiding van van Ee werd begonnen met het werk en werd een dijk opgeworpen van zand afgedekt met graszoden.
Formule 1-spel
Reacties (0)